“Laten we het gewoon gaan doen”, Edwin van der Meer over zes jaar NVZ-bestuur en de toekomst van de gezondheidszorg
Na zes jaar in het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) neemt Edwin van der Meer afscheid. In dit interview kijkt hij terug op de mijlpalen van zijn NVZ-bestuursperiode en vooruit naar de uitdagingen die nog komen. Twee termijnen van drie jaar waarin hij zich naast zijn rol als bestuursvoorzitter van het BovenIJ inzette voor samenwerking, regeldrukvermindering en passende zorg. “Het gaat om doen, lef en luisteren.”
Als u terugkijkt op uw zes jaar in het NVZ-bestuur, wat beschouwt u als de belangrijkste mijlpalen?
“Voor mij springen als belangrijkste mijlpalen het realiseren van Integraal Zorgakkoord (IZA) en het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) er uit. Ik zie het als het ware als routekaarten naar betere samenwerking tussen zorg en welzijn, naar het verkleinen van gezondheidsverschillen en naar passende zorg. We hebben daar als bestuur intensief over gesproken en uiteindelijk onze handtekening onder gezet. Daar ben ik trots op.”
Van der Meer ziet de akkoorden niet als papieren afspraken, maar als richtinggevende instrumenten. “Als we ze goed uitvoeren, gaan inwoners, patiënten en cliënten daar echt iets van merken. En ook onze zorgprofessionals, met minder registratiedruk, meer zeggenschap en werkplezier en last but not least databeschikbaarheid. Dat is waar het om gaat.”
Ook regionaal ziet Van der Meer een mijlpaal: de Krijtmolenalliantie in Amsterdam-Noord. “Die alliantie is eigenlijk te zien als een soort voorloper van het IZA/AZWA. Samen met zorg- en welzijnspartners, gemeente en zorgverzekeraar werken we al jaren aan het verbeteren van de gezondheid en het terugdringen van gezondheidsverschillen in het mooiste stadsdeel van Amsterdam via het programma Beter Samen in Noord. Dat is hard nodig, want die verschillen zijn door covid alleen maar groter geworden. In Noord doen we dat met concrete initiatieven, maar ik zie dat ook elders in het land: in de Achterhoek, Limburg, Den Haag. De kunst is om die regionale initiatieven te verbinden, zodat we niet overal opnieuw het wiel hoeven uit te vinden maar trots van elkaar kunnen leren en kopiëren.”
Daarnaast noemt hij de stappen in datagedreven zorg. “We hebben echt slagen gemaakt in het gaan realiseren van databeschikbaarheid en gegevensuitwisseling. Denk aan het programma ‘Met spoed beschikbaar’ en de ontwikkeling naar een landelijke zorgdata-infrastructuur. Ik vergelijk dat vaak met ProRail: één rail-infrastructuur waar wel verschillende merken treinen op kunnen rijden. Dat is ook in de zorg nodig om continuïteit en kwaliteit van zorg door middel van databeschikbaarheid te kunnen waarborgen.”
U begon met informatiebeleid en later verschoof de focus naar organisatie van zorg. Hoe heeft die verschuiving uw kijk op samenwerking en innovatie beïnvloed?
“Informatiebeleid was mijn eerste portefeuille binnen het NVZ-bestuur. Daar ging het om SNOMED, registratie aan de bron, medicatieoverdracht en eHealth. Het was een periode waarin we vooral bezig waren met het ontwikkelen van standaarden en techniek. Daarbij heb ik altijd gezegd: techniek is een middel, geen doel op zich. Je kunt de mooiste digitale oplossingen hebben, maar als ze niet gebruikt worden en je niet samenwerkt over domeinen heen, bereik je te weinig.”
Later verschoof zijn aandacht naar organisatie van zorg: Juiste Zorg op de Juiste Plek (JZOJP), geboortezorg, acute zorg en de laatste jaren leefstijl, preventie en regionale samenwerking. “Die verschuiving maakte duidelijk dat innovatie niet alleen technisch is, maar vooral organisatorisch. Het gaat om verbinding tussen ziekenhuizen, eerste lijn en sociaal domein. Dat vraagt lef en leiderschap en een lange adem. Soms moet je uit je comfortzone komen en ook letterlijk uit je eigen gebouw stappen.”
Van der Meer ziet ook een verandering in cultuur. “Waar vroeger concurrentie het sleutelwoord was, is samenwerking nu het nieuwe normaal. Dat is een enorme omslag. Je ziet ziekenhuizen samenwerken met elkaar en met andere zorg- en welzijnsorganisaties. Dat is een goede ontwikkeling, maar het vraagt wel dat bestuurders hun nek (blijven) uitsteken.”
Regionale samenwerking was een belangrijk thema. Wat zijn volgens u de grootste uitdagingen én kansen om zorg en welzijn beter te verbinden?
“De grootste uitdaging is dat iedereen nog sterk vanuit zijn eigen domein denkt. Je moet elkaar opzoeken, vaak meer geven dan nemen. En je moet bereid zijn om uit je ivoren toren te komen. Vergader eens op een plek van het sociaal domein in plaats van in het ziekenhuis. Dat lijkt een detail, maar het zegt veel over houding, positie en gedrag.”
De kansen liggen volgens Van der Meer in het bundelen van krachten. “Ziekenhuizen hebben organisatiekracht. Gebruik die om netwerken te versterken, maar doe dat altijd vanuit een gelijkwaardige positie. Samenwerken is het nieuwe concurreren. Die beweging is ingezet en niet meer te stoppen. Je ziet nu dat ziekenhuizen steeds meer samenwerken met o.a. huisartsen(posten), verloskundigen en welzijnsorganisaties.”
Hij benadrukt dat samenwerking niet vrijblijvend mag zijn. “We moeten minder tijd verliezen aan het opnieuw uitvinden van het wiel. Kopieer wat werkt in andere regio's. Dat is geen zwakte, dat is wijsheid”
U heeft zich ingezet voor leefstijl, preventie en post-covid. Hoe ziet u de rol van ziekenhuizen in deze bredere maatschappelijke opgaven?
“Ziekenhuizen zijn vindplaatsen. We moeten signaleren en doorverwijzen, niet alles zelf willen aanpakken of teveel gaan medicaliseren. Een groot deel van preventie hoort niet in het ziekenhuis maar we hebben wel een gidsfunctie om mensen naar, bijvoorbeeld een leefstijlloket van het welzijn toe te leiden. Én we kunnen onze organisatiekracht inzetten om partners met elkaar te verbinden.”
Van der Meer pleit hierbij voor creativiteit: “Waarom niet een preventieloket in een openbare bibliotheek? Het gaat om toegankelijkheid en samenwerking. En vergeet niet: gezondheid is veel meer dan zorg alleen. Slechts 10% van gezondheid wordt bepaald door zorg; de rest door factoren als inkomen, schuldenproblematiek, huisvesting en zingeving. Als ziekenhuis kun je daar niet alles aan doen, maar je kunt wel een rol spelen in het netwerk.”
Ook post-covid zorg vraagt om samenwerking. “We hebben gezien hoe kwetsbaar het systeem is. De lessen uit de covid-periode moeten we gebruiken om de zorg toekomstbestendig te maken. Dat betekent niet alleen kijken naar IC-bedden, maar juist naar betere samenwerking in de keten.”
Hoe hebben uw ervaringen bij de NVZ uw werk bij het BovenIJ beïnvloed? En omgekeerd, wat kan het landelijke speelveld leren van Amsterdam-Noord?
“Ik heb altijd geprobeerd om bij de NVZ vanuit een nationale visie te denken en bij het BovenIJ te kijken hoe we die visie lokaal kunnen toepassen. En andersom: dingen die we in Noord doen, heb ik gedeeld aan de bestuurstafel. Dat leereffect is waardevol.”
Wat kan Nederland leren van Amsterdam-Noord? “Dat samenwerking werkt. In Noord werken we al jaren met zorg- en welzijnspartners aan gezondheid. Dat is geen project, dat is een beweging die in ons DNA zit. En die beweging moeten we landelijk versterken. Het vraagt lef, leiderschap en plezier in samenwerken.”
Van der Meer noemt als praktisch voorbeeld: “We houden voor onze medische staf een lezing door een schuldhulpverlener. Waarom? Omdat schulden enorme impact hebben op gezondheid. Dat soort inzichten moet je delen. Gezondheid is veel meer dan een medische vraag. Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”
Wat geeft u de NVZ en de zorg nog mee met het oog op de toekomst?
Van der Meer ziet dat er veel is bereikt, maar er ook kansen blijven. “En er staat een goede ploeg bestuurders aan het roer bij de NVZ om die kansen te verzilveren. We hebben mooie stappen gezet, maar het mag sneller, minder vrijblijvendheid, met meer lef. Want uiteindelijk gaat het om toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van zorg. Daar werken we samen aan en daar blijven we ons voor inzetten.”
Hij geeft de NVZ mee om door te gaan op de ingeslagen weg en open te blijven voor de stem vanuit alle leden, niet alleen die vanuit de ziekenhuizen maar ook de revalidatie en de categorale instellingen. “Blijf één vereniging die met één stem praat naar alle stakeholders, dat versterkt onze rol in het nationale speelveld. En verder uiteraard, houd aandacht voor zorgprofessionals en luister naar patiënten en inwoners. Dat is en blijft ontzettend belangrijk. Hij waarschuwt voor een digitale kloof: “2,5 miljoen mensen in Nederland hebben moeite met taal of digitalisering. Zorg dat we altijd ook een fysieke vorm van zorg blijven aanbieden. We zijn geen bank, de zorg is en blijft mensenwerk.”
En tot slot: “Wees minder vrijblijvend. Kopieer wat werkt. En vooral: gewoon gaan doen!”