Het in ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gaat het door haarzelf in 2008 ingestelde Stagefonds dit jaar laten evalueren. De uitkomsten gebruikt VWS bij de besluitvorming over de eventuele voortzetting van het Stagefonds na het studiejaar 2010-2011. Alle NVZ-leden die subsidie hebben gekregen uit het Stagefonds krijgen begin juli een digitale enquête toegestuurd (zie bijlagen). Gezien het belang van het Stagefonds roept de NVZ haar leden op mee te werken aan deze evaluatie.
Het in het kader van het arbeidsmarktbeleid voor de zorg ingestelde Stagefonds gold in principe voor vier jaar, te beginnen met het studiejaar 2007/2008. Het fonds wil met een financiële prikkel de kwantiteit en kwaliteit van stageplaatsen in de sector vergroten en daarmee de instroom en doorstroom van medewerkers stimuleren. Het Stagefonds sluit aan bij bestuurlijke afspraken tussen sociale partners en het ministerie van VWS. De brancheorganisaties hebben hierbij een forse ambitie neergelegd: 10% extra stageplaatsen in vier jaar voor BOL-leerlingen in verzorgende, verpleegkundige en sociaal-agogische beroepsopleidingen (kwalificatieniveaus 1 t/m 5). Voor BBL-leerlingen in de niveau-3 opleidingen tot verzorgende of medewerker maatschappelijke zorg zou het 20% extra leerarbeidsplaatsen op moeten leveren.
Kenmerken
Kenmerkend voor het Stagefonds zijn de minimale
administratieve lasten voor zorgorganisaties (er wordt geput uit
bestaande onderwijsregistraties) en de terugwerkende kracht van de
regeling: de gerealiseerde stageplaatsen worden na afloop van het
studiejaar gesubsidieerd. De hoogte van het subsidiebedrag wisselt
per jaar en per opleiding. Overigens is de uitvoeringsregeling
tussentijds enkele keren gewijzigd. Zo is in 2009 een deel van de
scholingsmiddelen uit de tot dan geldende NZa-beleidsregels
overgeheveld naar het Stagefonds; zijn er wegens een
Kamermotie eenmalig middelen toegevoegd voor verpleegkundige
opleidingen; en is in 2010 het criterium voor “mbo-leerlingen”
aangescherpt (naar 300 onderwijsuren op jaarbasis) teneinde
oneigenlijk gebruik van het stagefonds tegen te gaan.
Opzet evaluatie
Bij de instelling van het Stagefonds is bepaald dat in 2010 een
onafhankelijke evaluatie plaatsvindt naar de effectiviteit van het
Stagefonds als beleidsinstrument. Het is de bedoeling dat deze
evaluatie gegevens aanreikt ten behoeve van de besluitvorming over
de eventuele voortzetting en verbetering van het Stagefonds vanaf
studiejaar 2011/2012. Drie hoofdvragen staan in de evaluatie
centraal:
- In welke mate heeft het stagefonds bijgedragen aan het
creëren van extra stageplaatsen?
- In welke mate heeft het bijgedragen aan het verbeteren van
de kwaliteit van de stageplaatsen?
- Hoe functioneert het stagefonds in termen van effectiviteit,
doelmatigheid, bruikbaarheid? Hierbij gaat het ondermeer om de
besteding van de middelen en om hoogte van de financiële prikkel:
ervaren zorgorganisaties deze als voldoende in relatie tot de
feitelijke kosten van een stageplaats?
Het ministerie van VWS heeft onderzoeksbureau AEF opdracht
gegeven de evaluatie uit te voeren.
Voor de kwantitatieve evaluatie put men uit beschikbare
administratieve gegevens van ROC’s en van Calibris. De kwaliteit
van de stageplaatsen zal onder andere worden nagevraagd bij ROC’s.
Ook de opleidingscoördinatoren van zorgorganisaties die een beroep
hebben gedaan op het Stagefonds zullen in een digitale enquête
worden bevraagd. In die enquête worden bijvoorbeeld vragen gesteld
over de effectiviteit en bruikbaarheid van de regeling. De enquête
wordt begin juli verstuurd, met een antwoordtermijn van 4
weken.
In januari 2011 neemt VWS een besluit over de continuering van het Stagefonds, al dan niet op structurele basis.
Bijlagen:
-
Subsidieregeling Stagefonds
-
Brief zorginstellingen 10-08-2008
-
Brief zorginstellingen 18-05-2009
-
Brief van VWS aan bestuurders
Informatie: Jaap Scholten 030 273 93 80, j.scholten@nvz-ziekenhuizen.nl