In dit nummer van NVZ Nieuws: Besluit NMa in beoogde samenwerking EMC en Havenziekenhuis: Geen vergunning nodig voor samenwerking; Identiteitscontrole volgens de Zorgverzekeringswet: Zorgaanbieder wettelijk verplicht tot registratie Sofi-nummer; Samenwerkingsprotocol: CTG/ZAio, CTZ en NMa leggen werkafspraken vast; Medische Informatiekunde steeds relevanter voor ziekenhuizen: Haal een MIK’er in huis!; Bij deze NVZ Nieuws: Nieuwsbrief LRVV 16.
Inhoudsopgave
Besluit NMa in beoogde samenwerking EMC en Havenziekenhuis: Geen vergunning nodig voor samenwerking
Samenwerkingsprotocol: CTG/ZAio, CTZ en NMa leggen werkafspraken vast
Medische Informatiekunde steeds relevanter voor ziekenhuizen: Haal een MIK’er in huis!
Bij deze NVZ Nieuws: Nieuwsbrief LRVV 16
Besluit NMa in beoogde samenwerking EMC en Havenziekenhuis: Geen vergunning nodig voor samenwerking
Eind april hebben het Havenziekenhuis en het Erasmus Medisch Centrum (EMC) aangekondigd in de nabije toekomst verregaand te willen gaan samenwerken. Zo willen ze de patiëntenzorg in de regio verder waarborgen. De zorgverzekeraar heeft zich achter de plannen geschaard en het Curatorium van het Havenziekenhuis en de raad van toezicht van het EMC zijn akkoord gegaan. Ook de Nederlandse Mededingingsautorieit (NMa) heeft ingestemd: voor het tot stand brengen van de vergaande samenwerking (concentratie) tussen het EMC en het Havenziekenhuis in Rotterdam is geen vergunning vereist. Het Havenziekenhuis, landelijk bekend vanwege behandeling van tropenziekten, kampte volgens het persbericht van de ziekenhuizen de laatste jaren met verliezen. Volgens een persbericht van 22 april (zie: index.htm) eisten zorgverzekeraars en banken van het EMC een sluitende begroting. Op verzoek van de zorgverzekeraars is een verregaande bestuurlijke en medische samenwerking met het EMC onderzocht. Tijdens het onderzoek is in het Havenziekenhuis een ingrijpende reorganisatie in gang gezet. Met de toestemming van het Curatorium van het Havenziekenhuis en de raad van toezicht van het EMC is de belangrijkste stap gezet in het proces naar samenwerking tussen Havenziekenhuis en EMC, waarbij het Havenziekenhuis zijn identiteit behoudt.
Overeenstemming over vorm van samenwerking
De afgelopen maanden hebben de ziekenhuizen overeenstemming
bereikt over de vorm van samenwerking. Voor de ruim 750 medewerkers
van het Havenziekenhuis betekent dit onder andere behoud van
werkgelegenheid.
Volgens het eerder genoemde persbericht onderschrijven de medisch
specialisten van beide ziekenhuizen het belang van de samenwerking.
De zorgverzekeraar draagt bij aan de financiering van de
samenwerking. De volgende fasen in het proces zijn het vormgeven
van de concrete samenwerking en het omzetten van de Stichting
Havenziekenhuis in een besloten vennootschap.
Opschortende voorwaarde
De NMa heeft haar besluit inmiddels aan de meldende partijen bekendgemaakt. De samenwerkingsovereenkomst kende aanvankelijk nog wel een opschortende voorwaarde, namelijk goedkeuring door de NMa en het College bouw ziekenhuisvoorzieningen. Bovendien moest ook de Ondernemingsraad van het EMC zich nog vóór de formele ondertekening over het voorgenomen besluit uitspreken. Door de goedkeuring door de NMa lijkt de weg nu vrij om de beoogde samenwerking ook werkelijk gestalte te gaan geven.
Meer lezen?
Het besluit van de NMa kunt u nalezen via www.nmanet.nl
Identiteitscontrole volgens de Zorgverzekeringswet: Zorgaanbieder wettelijk verplicht tot registratie Sofi-nummer
Half juni heeft de Eerste Kamer ingestemd met een wijziging van de Ziekenfondswet in verband met de invoering van de identificatieplicht ter bestrijding van fraude met zorgpassen. De wijziging zou per 1 januari 2006 ingaan. De nieuwe Zorgverzekeringswet, die ook per deze datum van kracht wordt, kent in artikel 117 eveneens een regeling voor de identificatieplicht. Met de inwerkintreding van deze wet wordt de Ziekenfondswet ingetrokken en geldt alleen nog de Identificatieplicht volgens artikel 117. De zorgaanbieders, waaronder de ziekenhuizen, zijn ook volgens dit artikel verantwoordelijk voor het vaststellen van de identiteit van de verzekerde. Nieuw is de wettelijke verplichting bij de identiteitscontrole om het Sofi-nummer van de zorgvrager te registreren. Artikel 117 zegt het volgende: wenst een verzekerde zorg of andere diensten voor rekening van zijn zorgverzekering te genieten, dan dient hij aan de persoon of instelling die de zorg of dienst verleent, een identiteitsbewijs te verstrekken waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld. Is een verzekerde niet in staat direct een identiteitsbewijs te overleggen, dan kan de zorgaanbieder hem toestaan uiterlijk binnen 14 dagen alsnog aan de verplichting te voldoen. De persoon of instelling die de zorg verleent, stelt de identiteit vast van degene aan wie de zorg wordt verleend en neemt het in dat identiteitsdocument opgenomen Sofi-nummer op in zijn administratie. De persoon of instelling vermeldt het betreffende Sofi-nummer van de verzekerde op de declaratie van de door hem aan die verzekerde verleende zorg of andere diensten.Met identiteitsbewijs wordt bedoeld een document conform artikel 1 lid 1 Wet op de identificatieplicht: paspoort, rijbewijs of een Nederlandse id-kaart. Bij mini-steriële regeling kan de minister ook een ander document aanwijzen. Zolang de zorg voor rekening van de zorgverzekering komt, is de identificatieplicht bij zowel de naturapolis als de restitutiepolis van toepassing. De regeling waarin de zorg is vastgelegd waarvoor de identificatieplicht zal gelden, wordt nog getroffen.
Sofi-nummer wordt BSN
Deze regeling is in die zin nieuw dat nu ook de wettelijke verplichting is gecreëerd het Sofi-nummer bij de identiteitscontrole van de zorgvragers te registreren. De minister ziet daarin ook geen belemmeringen uit privacyoogpunt. Wetstechnisch is het volgens hem geen probleem nu de registratie bij wet is geregeld (artikel 24 Wet bescherming persoonsgegevens). Het verstrekken en registreren van het Sofi-nummer staat ook niet te ver af van het oorspronkelijk doel van dit nummer, aldus de minister. De laatste jaren zijn steeds meer instanties voor steeds meer doelen het Sofi-nummer gaan gebruiken, zoals binnen het onderwijs. Daarnaast verwacht de minister dat het Sofi-nummer op termijn zal opgaan in het BurgerServiceNummer (BSN).
Rol van zorgverzekeraar
In artikel 4 van de Zorgverzekeringswet is opgenomen dat de verzekerde die zich ter inschrijving aanmeldt bij een zorgverzekeraar zijn Sofi-nummer vermeldt. De zorgverzekeraar stelt, voorzover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, de identiteit van de te verzekeren persoon vast. Verder neemt de zorgverzekeraar aard en nummer van het identiteitsdocument in zijn administratie op. Het controleren van de identiteit als voor-waarde voor het door de zorgverlener in rekening brengen van de zorg is onder de Zorgverzekeringswet niet gehandhaafd. Dat heeft te maken met het feit dat de Zorg-verzekeringswet veel meer ruimte geeft voor het restitutiesysteem. Dit systeem kent in beginsel geen zorgovereenkomsten of overeenkomsten waarin betaling van de zorg afhankelijk kan worden gemaakt van het vaststellen van de identiteit van verzekerde.
Samenwerkingsprotocol: CTG/ZAio, CTZ en NMa leggen werkafspraken vast
Het College Tarieven Gezondheidszorg/Zorgautoriteit in oprichting (CTG/ZAio), het College toezicht zorgverzekeringen (CTZ) en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) hebben hun onderlinge samenwerking en taakverdeling vastgelegd. In een samenwerkingsprotocol hebben zij afspraken opgenomen over hun onderlinge manier van werken als er sprake is van een samenloop van bevoegdheden. De werking van dit protocol duurt tot aan inwerkingtreding van de Wet marktordening gezondheidszorg (WMG). Officieel zou dat op 1 januari 2006 zijn, maar het wetsvoorstel is nog niet bij de Tweede Kamer ingediend.
Voor 2005 hebben CTG/ZAio, de NMa en het CTZ de taken als volgt vastgelegd:
- CTG/ZAio voert de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG) uit.
- De NMa voert de Mededingingswet uit.
- Het CTZ houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Zowel CTG/ZAio als de NMa houdt op het eigen terrein toezicht op mededingingsaspecten in de zorg en ook het CTZ kan in de praktijk tegen mededingingsaspecten aanlopen. Het monitoren van de markt behoort tot het takenpakket van alle drie de toezichthouders. Vooral CTG/ZAio zal op dit terrein, waar nodig in samenwerking met het CTZ, actief zijn. De resultaten van de monitor worden over en weer gedeeld. Op het gebied van toezicht voeren alleen CTG/ZAio en de NMa een speerpuntenbeleid.
Speerpunten CTG/ZAio
In 2005 kent het toezicht van CTG/ZAio vier speerpunten op het terrein van marktwerking:
- Informatie over nieuwe spelregels.
- Monitoring van de markt-ontwikkelingen.
- Bevordering van transparantie.
- Waar nodig interventie.
Het toezicht van CTG/ZAio bestrijkt segmenten van de zorgmarkt waar vrije prijsvorming is toegestaan. Voorlopig gaat het hier om het B-segment van de ziekenhuiszorg, de markt voor fysiotherapie en de markt voor psychotherapie.
Speerpunten NMa
De NMa richt zich in de zorgsector op het opsporen van kartels en op de beoordeling van fusies en overnames. Zij kan ook optreden tegen misbruik van economische machtspositie. De NMa heeft de zorgsector als prioriteit voor 2005 op de agenda staan. Dit houdt in dat de NMa de markt actief in de gaten houdt. “Afspraken zijn nodig om duidelijkheid te verschaffen aan marktpartijen inclusief patiënten en consumenten,” aldus Kalbfleisch, directeur-generaal van de NMa, bij de ondertekening van het samenwerkingsprotocol.
Samenloop van activiteiten
Dit jaar al kunnen zich situaties voordoen waarin de bevoegdheden dan wel activiteiten van de NMa en CTG/ZAio en of het CTZ elkaar kunnen beïnvloeden of samenlopen. Een voorbeeld is het bepalen van een relevante markt en/of een positie van marktmacht. CTG/ZAio voorkomt met regels vooraf dat partijen met aanmerkelijke marktmacht te hoge en of te lage tarieven hanteren. De NMa kan optreden tegen misbruik van een economische machtspositie. Daarnaast is de NMa exclusief bevoegd voor het toezicht op het kartelverbod en de beoordeling van fusies op grond van de Mededingingswet.
Wederzijdse consultatie
Het is volgens de drie toezichthouders belangrijk dat CTG/ZAio, CTZ en NMa nauw samenwerken om eenheid van aanpak en visie op de zorgmarkten te bevorderen. Bij de uitoefening van de eigen taken zullen NMa, CTG/ZAio en CTZ elkaar wederzijds consulteren. Dit versterkt de efficiëntie en effectiviteit bij de wetsuitoefening en wetshandhaving door de toezichthouders. In het samenwerkingsprotocol zijn daar afspraken over gemaakt. “Wij zien deze samenwerking als een belangrijk signaal naar marktpartijen dat wij eenheid van aanpak en visie willen met het oog op de toekomstige situatie. En dat wij vanuit onze positie als toezichthouder op de ziekenfondsen alert zijn op de marktontwikkelingen in de zorg nu en waar nodig, in de overgangssituatie de krachten zullen bundelen,” aldus Van Voorden, voorzitter van het CTZ. Tevens bevat het protocol afspraken over hoe de toezichthouders bepaalde begrippen uitleggen. Dit om te komen tot een consistente uitleg van mededingingsapecten.
Situatie in 2006
Het protocol is van kracht in elk geval tot de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de sectorspecifieke Wet voor markt-ordening in de gezondheidszorg (WMG). Deze wet verandert de verdeling van de bevoegdheden tussen de drie toezichthouders. Het toezicht op de WMG wordt uitgevoerd door de nog op te richten Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), een samenvoeging van CTG/ZAio en CTZ. In de WMG worden de bevoegdheden van de NZa toegespitst op het voorkomen van misbruik van marktmacht. Eind 2005 wordt het samenwerkingsprotocol, dat inhoudelijk vergelijkbaar is met de afspraken die de NMa en de OPTA hebben gemaakt, geëvalueerd en eventueel aangepast aan de nieuwe situatie. Wanneer de WMG inwerking treedt, is de NZa als eerste aan zet om via specifieke verplichtingen te voorkomen dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders misbruik maken van hun marktmacht. De NMa richt zich in de zorgmarkt vooral op het opsporen en bestrijden van kartels en het beoordelen van fusies. Frank de Grave, voorzitter CTG-Zaio: “Wij verwachten dat de goede samenwerking met de onder-tekening van dit protocol wordt voortgezet en daar waar mogelijk verder wordt uitgebouwd.”
Standpunt NVZ
De NVZ staat kritisch tegenover het toekennen van taken aan de drie toezichthouders. Vooral de opeenhoping van preventieve taken en bevoegdheden bij de NZa zal de NVZ bij de behandeling van het wetsvoorstel WMG kritisch volgen en waar mogelijk in de voor de leden zo gunstig mogelijke richting beïnvloeden. De NVZ is voorstander van uiteindelijk twee toezichthouders voor de zorg: de NMa en de IGZ.
Medische Informatiekunde steeds relevanter voor ziekenhuizen: Haal een MIK'er in huis!
Informatievoorziening in ziekenhuizen wordt steeds belangrijker, maar ook complexer. De opleiding Medische Informatiekunde (MIK) geeft u mogelijkheden om een stagiair aan te stellen. Zo kunt u op voordelige wijze experimenteren met dit specialisme. Volgens een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg besteden ziekenhuizen voldoende aandacht aan de technische aspecten van het gebruik van op computers gebaseerde informatiesystemen. Maar het applicatiebeheer is overwegend ad-hoc en decentraal geregeld, waardoor het gebruik van informatiesystemen gevaar voor patiënten kan opleveren. Afgezien van het applicatiebeheer zijn er veel meer inhoudelijke taken met betrekking tot de informatievoorziening, die eigenlijk door een daarvoor opgeleid specialist zouden moeten worden uitgevoerd. Aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) wordt binnen het Academisch Medisch Centrum (AMC) al vijftien jaar de vierjarige opleiding Medische Informatiekunde (MIK) verzorgd. Twee jaar geleden is gestart met een driejarige Bachelor Medische Informatiekunde. In 2006 begint het vervolg daarop: de Master Medische Informatiekunde. Ziekenhuizen kunnen door stageplaatsen te organiseren de vinger aan de pols houden van de nieuwste informatiekundige ontwikkelingen.
Wat leert een MIK’er?
Het MIK-onderwijs levert een student met een ruime hoeveelheid
medische kennis en kennis van het gezondheidszorgsysteem, zodat hij
een volwaardige gesprekspartner kan zijn van artsen,
verpleegkundigen en bestuurders. In het eerste deel van de studie
bezoekt elke student verschillende afdelingen van het AMC en
huisarts-praktijken en verricht daar kleine onder-zoeken. Daarnaast
verwerft hij basiskennis over programmeren, modelleren, statistiek
en epidemiologie. Een groot deel van het laatste jaar besteed hij
aan de wetenschappelijke stage. De nadruk van de studie ligt minder
op het technische, hoewel daar natuurlijk ook aandacht aan wordt
besteed, maar veel meer op het inhoudelijke vlak.
Overzicht competenties MIK’er
Een Medisch Informatiekundige kan:
- artsen en verpleegkundigen methodologisch ondersteunen bij hun onderzoek;
- zorgprocessen en organisatorische processen analyseren;
- databases ontwerpen en implementeren voor zorgverleners/afdelingen;
- registraties opzetten en beheren;
- vragen over de kwaliteit van zorg beantwoorden op basis van de registratiegegevens;
- zelfstandig onderzoek uitvoeren;
- coderingssystemen en andere standaarden uit informatiesystemen up-to-date houden;
- ondersteunen bij implementatie en onderhoud van applicaties, zoals EPD’s;
- eisen voor informatiesystemen formuleren, op basis daarvan potentiële systemen evalueren;
- beslissingsondersteunende systemen ontwikkelen en implementeren;kennisbestanden die daaruit voort-komen onderhouden;
- via modelleren en simuleren de effecten van interventies bestuderen;
- bijdragen aan de aanschaf van nieuwe systemen, bijvoorbeeld over systeemeisen;
- brugfunctie vervullen tussen artsen/verpleegkundigen en de auto-matiseringsafdeling;
- bijdragen aan de opzet van het informatiebeleid en informatieplannen.
Wat houdt een MIK-stage in?
De wetenschappelijke stage is het sluitstuk van de studie. Doel is ervaring op te doen met de uitvoering van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit behelst het leren toepassen van zowel algemene onderzoeksvaardigheden (opstellen van onderzoeksvraag en -doelstelling, rapportage, enz.) als onderzoeksmethoden, die specifiek zijn voor de medische informatica. In de 34 weken durende stage pakt de student een concreet, door het stagegevende ziekenhuis aangedragen, informatiekundig probleem aan. Dat kan bijvoorbeeld het opstellen van een informatiemodel zijn, het formaliseren van richtlijnen of een zorgproces, het maken van specificaties voor een data-, informatie- of kennissysteem, het ‘fitten’ van statistische modellen of toepassen van een methode voor machinaal leren op klinische gegevens. Zo’n stage kan een softwareontwikkelingsproject betreffen of een theoretisch karakter hebben. Een combinatie van beide is ook mogelijk. De stages, die ook buiten het AMC worden uitgevoerd, staan altijd onder toezicht van een stagedocent (afkomstig van de afdeling Klinische Informatiekunde van het AMC) en een stagebegeleider (afkomstig van de instelling, waar de stage plaatsvindt).
Voorbeelden van onderzoeksthema’s bij wetenschappelijke stages
- Bestuderen van het effect van een informatiesysteem op de zorg.
- Beoordelen van de haalbaarheid van een zorgplan.
- Ondersteuning van de primaire zorg door het opstellen van een informatie- en communicatie-infrastructuur met aandacht voor logistiek, webtechnologie, user-interfaces, communicatiestandaarden.
- Evaluatie van methodes van medical record linkage voor koppeling van databestanden.
- Meten van de kwaliteit van zorg door het opstellen van indicatoren en benchmarking.
- Beoordelen van de interne en externe kwaliteit van klinische richtlijnen.
- Opstellen van een diagnose-classificatiesysteem ten behoeve van zorg en research.
- Bepalen van succesfactoren bij het opstellen van een nationaal registratiesysteem.
- Analyse informatiebehoefte in een klinische setting, zoals de intramurale zorg.
- Modelleren, simuleren en verbeteren van wachttijden in de zorg.
- Ontwerpen van beslissingsondersteunende systemen voor de behandeling van patiënten, bijvoorbeeld gebruikmakend van case based reasoning of van een expertsysteem. Ontwerpen van een informatiesysteem voor het beheren van beeldmateriaal.
Op veel manieren inzetbaar
Afgestudeerde MIK’ers zijn dus op veel manieren inzetbaar voor het verbeteren van de informatievoorziening. Ook kunnen zij als projectleider worden ingezet bij onderzoeksprojecten. MIK’ers vinden doorgaans werk bij medische faculteiten (onderwijs en onderzoek), in de gezondheidszorg bij klinische afdelingen, ziekenhuisautomatiseringsdiensten en andere zorggerelateerde instellingen (zoals registratiebureaus, de hartstichting, etc.), bij de IT-industrie en de overheid. Aan het inhuren van een een MIK-stagiair zijn geen andere kosten verbonden dan krachtens het stagebeleid van de instelling.
Meer informatie?
Wilt u meer informatie over dit onderwerp? U kunt contact
opnemen met de heer prof.dr.ir. A. Hasman, voorzitter van het
Opleidingsinstituut Medische Informatiekunde en
stagecoördinator.
Contactadres: afdeling Klinische Informatiekunde, Academisch
Ziekenhuis – Universiteit van Amsterdam, Meibergdreef 113, 1105 AZ
Amsterdam. Telefoon (020) 566 51 84.
Bij deze NVZ Nieuws: Nieuwsbrief LRVV 16Nieuwsbrief LRVV 16 is verschenen.
In deze nieuwsbrief leest u meer over:
- de erkenning van 60 vervolgopleidingen;
- de evaluatie van de LRVV;
- wijzigingen in de opleidingscommissies;
- een overzicht van recent erkende opleidingen en meer informatie over de LRVV.
Nieuwsbrief LRVV 16 kunt u downloaden via www.nvz-ziekenhuizen.nl >> NVZ Nieuws 24 >> Nieuwsbrief LRVV 16.